6. ‘Ik kan de eerste indruk die Amsterdam op mij maakte niet meer terugroepen, vergroeid als ik nu ben met de ruggenwervels van haar straatkeien, de houten baarmoeders van haar kroegen en de verweerde lendenen van haar veile buurten. Ik nam mijn intrek in een kleine woning in de Egelantiersstraat, een kiesholte in het rotte gebit van de stad.’ Bouazza, De voeten van Abdullah , p. 110.