Notes

21. β€˜Van Apollien, mijn dwaallicht, mijn hartenspinsel. Vreemd hoe een naam een smaak kan krijgen op de tong. Deze smaak – ik weet het – is fysiek bepaald, de smaak van Apolliens vrouwdom; de smaak en geur van rozenwater en muskuskorrels. In het begin was zij Aboelien in mijn mond; in de haperingen van seksuele hoogtepunten (die voor haar nimmer woordenloos mochten zijn) was zij Appelin. Maar nu is zij Apollien, zal ze altijd Apollien blijven, een gefluister boven de uitcirkelende rimpels van een vochte dood.’ Bouazza, De voeten van Abdullah , p. 110.