16. ‘Donkerbakstenig, vuil Amsterdam zwalpt en zwalkt met mijn jonge weerspiegeling in troebel slootwater, onder johannesbroodbomen, die in omgekeerde waterweerkaatsingen de vormen aannemen van hoge, puntige grachtenpanden en waarin levensruïnes ronddobberen – plastic zakken, fietskarkassen – en waar het zonlicht de zieltogende najaden onder het rimpelend oppervlak niet bereikt. ‘De verzengende doodsstilte van siëstamomenten, de stoffige wegels en olijfbomen, het misbaar van mijn wanordelijke kindertijd vormen de achtergrond van een leven in Amsterdam met zeldzame gouden zomers in het Vondelpark, regenachtige zondagen, zorgeloze verveling, gelaafde avonduren – dit is het verschil dat ik met haar deelde en dat ik altijd zal delen met Apollien.’ Bouazza, De voeten van Abdullah , p. 118.